KIC |
Graan, gerst, haver, erwten en linzen. Het zijn slechts enkele produkten die wij dagelijks eten en die oorspronkelijk uit Kurdistan komen. De wilde planten zijn door Kurdische voorouders gecultiveerd en aan ons overgedragen. Veel andere eetbare planten groeien nog steeds in het wild. Linda Runyon identificeert een groot aantal van deze eetbare wilde planten en geeft daarbij verschillende bereidingswijzen.
De Kurdische hooglanden zijn de oorsprong van een zeer groot aantal planten en dieren die ons elke dag van voedsel voorzien. Hiervoor zijn veel oudheidkundige bewijzen geleverd. Veel van wat wij dagelijks eten is gecultiveerd en aan ons overgedragen door de voorouders van de Kurden. Wij hoeven slechts graan, gerst, haver, linzen, erwten en druiven te noemen om te beseffen hoeveel we hen verschuldigd zijn. Wilde voorlopers van genoemde planten worden nog steeds veelvuldig aangetroffen in de Zagros en Taurus gebergten in Kurdistan. Drie van deze vroeg gecultiveerde soorten worden hier behandeld: murik, wilde haver en weegbree. Minder bekende eetbare planten die op het Kurdische platteland groeien, zijn niet gecultiveerd en bevinden zich nog in hun oorspronkelijke staat.
In de loop der eeuwen is ons voedsel door verschillende culturen gekruist, veranderd, en op honderden verschillende manieren bereid. Het zogenaamde beschaafde menselijke ras heeft het gehate 'onkruid' verbrand, afgedankt en met pesticiden, onkruidverdelgingsmiddelen en ander gif bespoten. Terwijl miljoenen mensen honger hebben, is dit wilde voedsel in overvloed aanwezig gebleven en nog steeds als voedselbron beschikbaar. De Kurdische hooglanden zijn geen uitzondering op deze natuurlijke rijkdom. De meeste hedendaagse vluchtelingen zijn onbekend met wilde planten en hun bruikbaarheid. Dit geldt zelfs voor hen die de meeste uitgebreide expedities door de wildernis ondernemen.
Veel van de planten die hier worden behandeld hebben, naast het feit dat ze eetbaar zijn, ook een medicinale en hygiënische toepassing. Ik dring er daarom sterk op aan om van deze bijkomende voordelen kennis te nemen. Ze kunnen van toepassing zijn in noodsituaties in de ontoegankelijke delen van de Kurdische gebergten. Bladeren van weegbree bijvoorbeeld kunnen als ontsmettingsmiddel worden gebruikt, sappen van zuring helpen tegen huiduitslag en irritaties, en de wortels van wilde spinazie kunnen als substituut voor zeep worden gebruikt.
Identificatie
Er moet worden opgemerkt dat de meeste
planten die hier worden genoemd zowel bij beekjes en in geïrrigeerde
gebieden groeien, als in gras- en bosgronden in de bergen. Wild voedsel kan rauw
worden gegeten, gekookt, gebakken of vermalen tot meel. (1) Uiteraard is de
juiste identificatie van de planten uitermate belangrijk. Daarbij moet worden
opgemerkt dat vergif in alles dat groeit als natuurlijk verdedigingsmiddel is
ingebouwd. Om een wilde plant correct te identificeren moeten de volgende
stappen worden genomen:
Regels voor positieve identificatie en consumptie (2)
En verder,
Het is gebleken dat de smaak van gedroogde planten sterk kan worden verbeterd door de toevoeging van kruiden en andere toevoegingen die kant en klaar in Kurdistan verkrijgbaar zijn. Om er een paar te noemen: kardemom (Kurdisch:hil), kaneel (dârchini), komijn (zira), venkel (razla of râyâna), gemberwortel (zanjafil), peper (âlat of filfil), tijm (marza), waterkers (sheng), boter of margarine (kara of kari), zacht dierlijk vet (chawri, baz, dûg of dûng), olijfolie (tâma zaytûn), plantaardige olie (rowana nibâtî), kaas (panir), zachte kaas (papka of tulaka), zoete kaas (panira shrin), ghee (geklaard botervet, rowan).
Opmerking: aangezien identificatie en het gebruik van wilde planten speciale aandacht en zorg vereist, kunnen de auteur en de uitgever geen enkele verantwoordelijkheid nemen wanneer er nadelige effecten bij individuen optreden.
Wilde planten
MURIK. Geslacht: Stellaria. Soorten:
Stellaria media en Alsine media. Kurdisch:
nok. Dit is de oorspronkelijke voorloper van onze hedendaagse
kikkererwt, die ongeveer 9.000 jaar geleden voor het eerst in Kurdistan werd
verbouwd.
Tekening: Stellaria media syn. Alsine media.
Alias:
gewoon murik, sterrenkruid.
Eetbaar: gehele plant.
Habitat: beschutte
gecultiveerde gronden, winterplant.
Verspreiding: wijd verspreid in alle
regio's van Kurdistan.
Kenmerken: eenjarige plant. Hoogte: 2,5 cm of hoger.
Kruipt op de grond; vormt plantenmat in tuinen. Kleine blaadjes paarsgewijs
tegenover elkaar. De stervormige witte bloemen hebben vijf paar blaadjes.
Gebruik: grote voedingswaarde. Hele plant: rauw eten, stomen, koken, sauteren.
Kookvocht drinken. Laat zich goed invriezen. Droog en stamp fijn tot voedzaam
additief.
Tip: kauw op de stengel voor een duurzame, melkachtige gom.
WILDE HAVER. Geslacht: Gramineae. Soorten: Avena sterilis, Gramineae. Kurdisch: jogala, cham. Dit is de oorspronkelijke voorloper van onze alledaagse haver, ongeveer 10.000 jaar geleden in Kurdistan verbouwd.
Tekening: Avena sterilis.
Eetbaar: zaadknop.
Habitat:
gecultiveerde gronden. Verspreiding: alle gebieden in Kurdistan met hoge mate
aan jaarlijkse regenval.
Kenmerken: eenjarige plant. Sterk gras, vlokkige
zaaddragers, lange, platte, stugge, sprietvormige bladeren met een ruw
oppervlak. Lichte haarvorming bij de geledingen.
Gebruik: zaden, stengels:
rauw eten, in granen, pap. Drogen en fijnmalen tot meel.
WEEGBREE. Geslacht: Plantago. Soorten: Plantago lanceolata (smalle blaadjes), Kurdisch sparza, en Plantago major (brede blaadjes), Kurdisch tukhm spi. Oudheidkundig bewijsmateriaal heeft aangetoond dat de plant 12.000 jaar geleden algemeen als voedselbron in Kurdistan werd gebruikt.
Tekening: Plantago lanceolata (smalle blaadjes).
Alias:
soldatenkruid.
Eetbaar: gehele plant.
Habitat: tuinen, boomgaarden,
grasperken.
Verspreiding: Kurdistan. (2)
Kenmerken: eenjarige plant.
Twee soorten: kort, breed blad, 5 tot 20 cm; lang, smal blad, 25 cm of langer.
Beide soorten bladeren sterk generfd. Beide soorten hebben in het midden pieken
met zaden.
Plantago ovata, woestijnsoort, heeft donzige stengel en bladeren.
Gebruik: bladeren: rauw eten, stomen, koken, sauteren; kookvocht drinken.
Gebruik in soepen en stoofschotels. Drogen; invriezen. Zaden: verzamelen door
met je vinger langs de piek te wrijven. Gebruik voor bakken, kruiden, kiemen.
Gehele plant: stomen, koken, kookvocht drinken. Gebruik in soepen en
stoofschotels.
Tip: de bladeren van de weegbree kunnen worden gebruikt als
antiseptisch middel: kneus ze en leg ze op de wond.
WILDE SPINAZIE. Geslacht: Chenopodium. Soorten: Chenopodium album. Kurdisch: pâqâza.
Tekening: Chenopodium album
Alias: ganzevoet, wilde
spinazie, zilverblad spinazie, brave hendrik
Eetbaar: gehele plant.
Habitat: op en rondom gecultiveerde gronden. Verspreiding: wijd verspreid in
heel Kurdistan, behalve op de hoogste en koudste akkers. Kenmerken: hoogte: 45
cm of hoger. Blad heeft de vorm van een ganzevoet; donkergroen met wit
onderblad. Nieuwe blaadjes hebben witte of paarskleurig poeder in opgerold hart.
Als het nat is komen er waterdruppels uit de bladeren. Groene, zaadachtige
bloemtrossen. Is een van de rijkste bronnen van vitaminen en mineralen en zou
gretig moeten worden gezocht. Twee kopjes wilde spinazie staan gelijk aan
14.000-16.000 eenheden vitamine A (volwassenen hebben ongeveer 5.000 eenheden
vitamine A per dag nodig). Twee kopjes staat gelijk aan 66-130 milligram
vitamine C (volwassenen hebben 70 milligram vitamine C per dag nodig). Wilde
spinazie heeft van alle groenten een van de hoogste vezelgehaltes.
Gebruik:
hoge voedingswaarde, vitaminen, calcium. Jonge wortels: koken, kookvocht
drinken. Bladeren: als spinazie. Rauw eten, stomen, sauteren, kookvocht drinken.
Invriezen. Drogen en fijnmalen tot meel. Bloemen/zaden: in pap en granen,
kiemen. Drogen en fijnmalen tot meel.
Tip: wortels kunnen worden gebruikt
als substituut voor zeep: maak handen nat en wrijf over gewassen wortels.
Waarschuwing: De bladeren van de plant lijken op die van een giftige uiterlijk identieke plant! Zorgvuldig identificeren!
AMARANT (Groene Amaranth). Geslacht: Amaranthus (Amaranthus retroflexus. Soorten: viridis). Kurdisch popa, popel.
Tekening: Amaranthus viridis.
Alias: rode kroot.
Eetbaar: gehele plant.
Habitat: gecultiveerde gronden, oases.
Verspreiding: wordt bijna overal in Kurdistan aangetroffen, behalve op de
hoogste vlaktes. (3)
Kenmerken: hoogte 60 cm of meer; kan 180 cm of meer
worden. De borstelige zaadkoppen zijn gegroepeerd op meervoudig afgetakte
stengels die ontspruiten vanuit de centrale steel. Zaden zijn zwart en glimmend.
Bladeren glad en generfd met smalle, gekartelde inkepingen.
Gebruik: hoog
plantaardig proteïnegehalte. Gebruik in eenvoudige soepen, op brood, rauw
of gekookt. Drogen en fijnmalen om als groen meel aan broodmixen toe te voegen,
of eenvoudigweg om andere meel aan te vullen. Bladeren: zoals spinazie, kunnen
rauw worden gegeten. Ze kunnen ook gesauteerd of gestoomd worden. Kookvocht
drinken of gebruiken bij koken. Goed in te vriezen. Zaden, gezeefd indien
gewenst, kunnen rauw of gedroogd worden gebruikt voor bakken, in granen of pap.
De gehele plant kan gestoomd of gekookt worden en gebruikt in soepen en
stoofschotels. Gebruik ook de wortels als rijke bron voor extra voedingsstoffen.
Tips: Wacht totdat amarant volledig is volgroeid voor de grootste hoeveelheid
zaadknoppen. Oogst de lagere bladeren en takjes als groenten.
BIES of MATTENBIES. Geslacht: Typha. Soorten: Typha domingensis en Typha augustata. Kurdisch: lo'i.
Tekening: Typha.
Eetbaar: wortels, jonge scheuten,
stamkern, knoppen, stuifmeel.
Habitat: slootjes en greppels met veel
organisch materiaal, oases.
Verspreiding: aan de voet van bergen waar het
warm is en lager gelegen valleien in Kurdistan.
Kenmerken: groeit in
vochtige gebieden.
Hoogte: 90 cm of hoger. Stelen hebben knoppen in de vorm
van knakworstjes. Stuifmeel waait uit in vroege lente. Erg lange, ranke
bladeren, met één nerf.
Gebruik: plant bevat voor ongeveer
30% complexe koolhydraten; zeer voedzaam. Wortels: drogen en malen tot meel. Kan
ingemaakt worden. Jonge scheuten: rauw eten. Goed in te vriezen. Stamkern: stam
schillen, kern eruit schrapen. Kan rauw of gekookt gegeten worden. Jonge groene
koppen: rauw eten, snijden en koken als maiskolven. Jonge bruine koppen: tot
meel malen. Stuifmeel: gebruik als voedzame toevoeging.
Tip: verzamel dons
van volgroeide koppen voor isolatie of vulling van jassen, etcetera. Het dons
drijft en is waterdicht. Uitstekend voor tondels en fakkels. Gebruik als katoen.
Waarschuwing: wanneer er twijfel is aan de waterzuiverheid, zuiveringstabletten gebruiken en de planten in de oplossing weken.
VINGERGRAS. Geslacht: Gramineae. Soorten: sangualis syn. Panicum sanguinale. Kurdisch: dirik.
Tekening: Digitaria sangualis syn. Panicum sanguale.
Eetbaar: zaden, stam.
Habitat: woestijnen, droge gronden. Verspreiding: in
armere zandgronden, in warmere streken van Kurdistan.
Kenmerken: jaarlijkse
plant. Hoogte: 30 cm tot 1,20 m.
Gebruik: zaden: rauw eten. Drogen en malen
tot meel. Stengels: rauw of gedroogd gebruiken in granen en pap. Drogen en tot
meel malen.
Waarschuwing: wanneer je het gras snijdt, pas dan op voor zwarte puntjes (of schimmel) tussen de zaden of op de schacht. Gebruik deze planten niet!
REIGERSBEK. Geslacht: Erodium, familie van de ooievaarsbekken. Soorten: Erodium circularium, Erodium cicinium, Erodium malaccides. Kurdisch: pewak.
Tekening: Erodium circularium (L'Her).
Alias: kraanhals.
Eetbaar: alléén de bladeren en de wortels.
Habitat: droge
gebieden, woestijngebieden, kleigronden.
Verspreiding: alleen op lage
gronden in Kurdistan in de grensgebieden in Syrië en Irak.
Kenmerken:
donkergroene plant, die zich jaarlijks, jaarlijks in de winter, of tweejaarlijks
reproduceert uit zaden aan de onderkant van de wortels. Bloemen op lange stelen
ontspruiten aan varenachtige bladeren die aan de basis dicht opeengepakt zitten.
Stengels zijn harig. Stelen hebben paarse bloemen, later zaadknoppen. Vruchten
in de vorm van een reigersbek bevatten zaad dat zich als een kurketrekker in de
hardste gronden kan boren. Bloeit in maart, april.
Gebruik: varenachtige
bladeren: rauw eten, zoals selderij. Gebruik in soepen, stoofschotels, op brood.
Bladeren: stomen en als groente eten. Goed in te vriezen. Wortels: rauw eten
zoals selderij.
Waarschuwing: gebruik noch de bloemen noch de vruchten van de reigersbek. Ze staan bekend als giftig. Het is over het algemeen veilig om een grote hoeveelheid bladeren te eten wanneer de nerf in het centrum van het blad niet paars of rood is. Reigersbek heeft de neiging om nitraten op te nemen.
KAASJESKRUID. Geslacht: Malva. Soorten: Malva neglecta. Kurdisch: papka, tulaka.
Tekening: Malva neglecta.
Alias: klein kaasjeskruid,
maluwe.
Eetbaar: zachte jonge blaadjes, zaden.
Habitat: zanderige
woestijnachtige gronden.
Verspreiding: beperkt tot de grensgebieden in
Kurdistan tegenover de Mesopotamische laaglanden en zanderige woestijnen.
Kenmerken: jaarlijkse plant. Veel soorten. Hoogte: 10 cm of hoger; volwassen
plant kan 35 cm of hoger worden. Bladeren zijn cirkelvormig en vlezig. Zaden
lijken op kleine kaasjes, schijfjes. Witte, roze of paarse bloemen met vijf
blaadjes. Doet hoeveelheid speeksel toenemen. Verzacht keel en mond.
Gebruik: jonge bladeren: rauw eten, stomen, koken, sauteren; kookvocht drinken.
Goed in te vriezen. Drogen en fijnstampen tot meel of als extra voedingsstof.
Hoog ijzer- en calciumgehalte.
Tips: hak malse bladeren en marineer deze
voor het koken in olie en azijn. Eet maar één kopje kaasjeskruid
per keer. Het bevat zoveel ijzer en calcium dat het al snel een 'vol' gevoel
geeft.
MOSTERD (wilde mosterd). Geslacht: Brassica. Soorten: Brassica. Kurdisch: khardala sawz.
Tekening: Brassica.
Eetbaar: stam, bladeren, bloemen,
zaden.
Habitat: bermen aan de kant van de weg, gecultiveerd land en goed
gedraineerde zandgronden.
Verspreiding: laag gelegen valleien in Kurdistan.
Kenmerken: hoogte: 25 cm of hoger. Geronde bladeren, met een of twee extra
uitsteeksels van smalle blaadjes onder het hoofdgedeelte van het blad. Gemalen
bladeren geven doordringende kruidige geur. Gele bloem bestaat uit vier blaadjes
die samen een kruis vormen. Zwarte zaden in peulen.
Gebruik: rauw gebruiken
als pittige specerij. Bladeren: rauw eten, gebruik als pittige specerij.
Stengel: in soep of stoofschotels koken. Bloemen: rauw eten, stomen. Invriezen
of drogen. Zaden: drogen en als specerij gebruiken. Malen om mosterd te maken.
Tip: wanneer je een hoeveelheid mosterdbladeren als groente eet, kook ze dan 15
tot 20 minuten. Mosterd is een erg sterk smakend potkruid.
NUTSEDGE. Geslacht: Cyperus Rodundus. Soorten: Cyperaceae, Cyperus rotundus.
Tekening: Cyperaceae.
Alias: Chufa.
Eetbaar:
zaden, stengels.
Habitat: vochtige zandgronden.
Verspreiding: aan de
voet van Kurdische bergen tegenover Mesopotamië en Syrië.
Kenmerken: hoogte: 20 cm tot 90 cm. Zaden van de bloemen zijn geel tot
roodachtig bruin. Inheems, groeit hele jaar door. Gebruik: zaden, stengels,
bladeren; drogen en fijnstampen tot meel. Rauw, in granen en pap.
Waarschuwing: wanneer je het gras snijdt, pas dan op voor zwarte puntjes (of schimmel) tussen de zaden of op de schacht. Gebruik deze niet!
RIET of RIETGRAS. Geslacht: Phragmites. Soorten: Phragmites communis, Phragmites australis. Kurdisch: ney.
Tekening: Phragmites communis.
Eetbaar: wortels, stamkern,
zaadpluimen.
Habitat: veel voorkomend in greppels, bij slootjes en natte
gronden.
Verspreiding: zonnige, warmere gebieden in Zuid en Centraal
Kurdistan.
Kenmerken: groeit het hele jaar door. Hoogte: 60 cm of hoger.
Wuivende zaadpluimen. Gelede, holle stengels. Groeit in brak water.
Gebruik: wortels malen en stampen tot meel. Stamkernen: zachtjes koken.
Zaadpluimen: gebruik in granen, gruwel, meel.
Tips: weef stengels tot
matten, beddegoed, dakbedekking, grashutten. Uitstekende tondel.
Waarschuwing: wanneer je het gras snijdt, pas dan op voor zwarte puntjes (of schimmel) tussen de zaden of op de schacht. Gebruik deze niet! Wanneer aan de zuiverheid van het water wordt getwijfeld, gebruik dan zuiveringstabletten en week de plant in de oplossing. Spoel de plant af en kook deze 20 minuten.
POSTELEIN. Geslacht: Portulaca. Soorten: Portulaca oleracea. Kurdisch: khulfa.
Tekening: Portulaca oleracea.
Eetbaar: gehele plant.
Habitat:
overvloedig in niet meer in gebruik zijnde gecultiveerde velden en vochtige
gronden.
Verspreiding: warme, gematigde gebieden en diepe valleien in
Kurdistan.
Kenmerken: jaarlijkse plant. Hoogte: 3 cm of hoger. Sappig.
Vlezige, geronde bladeren, ovaal van vorm. Kruipt op de grond; vormt
plantenmatten in tuinen.
Gebruik: zeer hoge voedingswaarde. Stengels:
inmaken en bewaren. Gehele plant: rauw eten (grote hoeveelheden kunnen worden
gegeten om dorst te lessen), stomen, koken, sauteren, kookvocht drinken.
Invriezen. Drogen en malen als voedzaam additief. Zeer veel vitaminen en
mineralen.
Tips: groeit goed binnenshuis.
ZURING. Geslacht: Oxalidaceae. Soorten: Oxalis corniculata. Kurdisch: turshek.
Tekening: Oxalis corniculata.
Alias: citroengras.
Eetbaar:
gehele plant, gekookt.
Habitat: velden, bossen, vochtige plekken onder
kleine bomen, struiken en heesters.
Verspreiding: wijdverspreid in de
warmere gebieden in Kurdistan.
Kenmerken: jaarlijks kruid plant voort via
zaad. Bladeren om en om, verdeeld in drie hartvormige blaadjes (zoals een
klaver), zure citroensmaak. Hoogte: 5 tot 20 cm. Groeit in bosjes, veldjes.
Heeft soms harig, zacht dons dat bij de geledingen begint. Bloemen, 7 tot 11 mm,
met 5 gele, en heel soms groenige blaadjes. Soms rood aan de onderkant. Bij
extreme zonneschijn kunnen de bladeren zich vouwen.
Gebruik: bladeren,
zaden en bloemen: gebruik in soepen en stoofschotels.
Tips: Oxalis
acertocella, ontsmettingsmiddel voor huid en huiduitslag.
Waarschuwing: zuring moet niet rauw worden gegeten. Kook voor de zekerheid om de vitamine C inhoud vrij te laten komen.