KIC |
Op 3 november vond er in de buurt van Bursa een auto-ongeluk plaats. Bij dit ongeluk kwamen een voormalige leider van de fascistische Partij van de Nationalistische Actie (MHP) en maffiabaas, Abdullah Catli, de hoge politiefunctionaris Hüseyin Kocadag en Gonca Uz, zij was betrokken bij activiteiten van de Turkse inlichtingendienst MIT, om het leven. De parlementariër voor de Partij van het Juiste Pad (DYP), Sedat Bucak, overleefde dit ongeluk ternauwernood. Door dit ongeluk werden de banden tussen de Turkse maffia, de staat en de politiek aangetoond.
Wie waren deze mensen? Abdullah Catli werd al 18 jaar gezocht door de Turkse autoriteiten en Interpol. Hij werd met talloze moorden en andere misdaden in verband gebracht. Zo was Catli - in 1979 leider van de Ülkü Ocaklari, de jongerenbeweging van de MHP - actief betrokken bij de moord op zeven studenten in Turkije in 1977 en de moord op een redacteur van de krant Milliyet. Catli wordt ook in verband gebracht met de aanslag op Paus Johannes Paulus II. Catli werd in 1985 in Parijs gearresteerd voor de handel in drugs. Na één jaar detentie in een Zwitserse gevangenis ontsnapte hij. Sindsdien was hij voortvluchtig. Hüseyin Kocadag was een topfunctionaris van de Turkse politie. Hij was een tijd lang de tweede man bij de Istanbulse politie, organiseerde en gaf leiding aan de speciale teams die in Kurdistan opereren en werd later de directeur van een politie-school. Sedat Bucak is het hoofd van de Bucak-clan in de provincie Urfa. Hij oefende in het verleden druk uit op zijn stamgenoten om toe te treden tot het dorpswachtersysteem. Hij slaagde hierin en werd zo tot een van de belangrijkste dorpswachter-chefs in Kurdistan.
Het samenzijn van Catli, Bucak en Kocadag op zichzelf was al alarmerend genoeg. Het geeft namelijk ondermeer de belangrijke rol van de MHP in deze contacten van maffia met representanten van de Turkse staat aan. In de auto werden ook nog vijf pistolen, twee mitrailleurs, geluiddempers, groene (diplomatieke) paspoorten en politie- identificatiebewijzen - een identificatie-bewijs was in het bezit van Catli, en stond op naam van Mehmet Özbay - gevonden. Toen dit alles bekend werd, vielen zelfs de schellen van de ogen van de Turkse staatsgetrouwe pers. De bekende columnist Cetin Altan schreef bijvoorbeeld dat de Turkse staat hard op weg was om een criminele bende te worden en oppositieleider Mesut Yilmaz sprak van "een staat die door dieven en moordenaars werd geleid." Dit werd Yilmaz niet in dank afgenomen. Onlangs werd hij door mensen van Catli in elkaar geslagen in een hotel in Boedapest. Dezelfde mensen verklaarden op de Turkse televisie dat het een waarschuwing betrof en dat Yilmaz er de volgende keer aan zou gaan. Hij had Catli, die altijd voor zijn land had gevochten, namelijk verraden.
De inzittenden van de auto waren afkomstig uit de kustplaats Kusadasi. Ze hadden daar het weekend doorgebracht in een hotel. Het ging om een zakenreis; de vier bezochten makelaars om informatie op te doen over de mogelijkheden tot de aankoop van grond. In het hotel verbleef ook de minister van Binnenlandse Zaken Mehmet Agar. Hij zou daar de vier anderen ontmoet hebben. Deze beschuldiging, die Agar's betrokkenheid bij de maffia impliceert, leidde tot zijn ontslag een paar dagen later. Agar's mening dat het slechts een onbeduidend `incident' betrof, "dat er niets bijzonders" aan was, kon hem uiteindelijk niet redden. Zowel minister-president Necmettin Erbakan als minister van Buitenlandse Zaken Tansu Çiller ontkenden enig verband tussen het auto-ongeluk en het aftreden van Agar. Volgens hen moest Agar aftreden omdat hij het bezoek van Erbakan aan Libië niet had ondertekend. Veel anderen zien wel degelijk een verband. "Het aftreden van Agar is van belang, want het is een duidelijk bewijs voor het bestaan van een `staat-binnen-de-staat'", aldus de politieke analist Bilal Cetin.
Agar werd ook door anderen belast. Volgens de in Nederlandse gevangenschap bevindende Turkse maffia-baas Hüseyin Baybasin heeft Agar en zijn familie tonnen aan drugs gesmokkeld met de olietankers van hun bedrijf. Çiller zelf bleef overigens, ondanks verzoeken tot aftreden, aan als minister.
Het bagatelliseren door Mehmet Agar van het auto-ongeluk doet de vraag rijzen wat Agar probeerde te verhullen. Een artikel van Dogu Perincek, de voorzitter van de Arbeiders Partij (IP), in het blad Aydinlik geeft daarop een antwoord. Perincek, die in het stuk ook een rapport van de MIT onthuld, geeft inzicht in de handel en wandel van Catli. Catli blijkt te opereren als een soort ambtenaar in dienst van de Turkse staat. Hij werkt in de oliehandel, richt samen met hoge politiefunctionarissen teams op die in het buitenland de PKK en Turkse organisaties, die een bedreiging vormen voor het systeem, moeten bestrijden en is betrokken bij drugshandel en afpersing. Een opmerkelijk detail in het rapport - en indicatie voor de echtheid ervan - is dat er melding in wordt gemaakt van het gebruik van een vals politie-identificatiebewijs van Catli op naam van Mehmet Özbey. Volgens het MIT-rapport heeft Catli dit document van de politie zelf gekregen.
In een persconferentie vatte Perincek zijn visie op het ongeluk nog eens samen. Volgens hem maakten Catli, Bucak en Kocadag deel uit van een 700 personen tellende geheime organisatie, die onder leiding zou staan van Tansu Çiller. Catli zou hierin een sleutelrol hebben gespeeld. Deze organisatie zou bestaan uit leden van de MIT, de Grijze Wolven-maffia en de speciale teams van het Turkse leger en zich officieel bezighouden met de bestrijding van de PKK. In werkelijkheid houden zij zich echter vooral bezig met roof, afpersing, drugshandel en moord. Deze bende houdt zich dus niet alleen bezig met het opknappen van de vuile zaakjes van de Turkse staat - de eliminatie van het `terrorisme- probleem' - maar ook met misdadige activiteiten ter verrijking van zichzelf. De leden van deze bende worden een ongekende vrijheid van bewegen verleend doordat zij diplomatieke passen en politie-identificatiebewijzen verstrekt krijgen van de politie. Tevens krijgen zij bij hun drugshandelreizen naar Duitsland, Nederland, België, Hongarije en Azerbeidzjan persoonlijk de bescherming van de chef van de Speciale Eenheden van het centrale bureau van politie.
Perincek deelde mee dat hij rapporten had opgesteld over deze criminele organisatie van Çiller en die had opgestuurd naar president Demirel en de voorzitter van het Turkse parlement. De reactie van de voorzitter was dat het rapport niet kon worden behandeld. Ook hier was men weer driftig in de weer met de doofpot.
Deze organisatie werd ook in verband gebracht met het opzetten van een coup tegen de president van Azerbeidzjan, Haydar Aliyev. Volgens diverse Turkse kranten zou Abdullah Catli deze coup organiseren. De financiering zou hebben plaatsgevonden middels geld afkomstig uit een geheim fonds, waar Tansu Çiller over beschikte toen zij nog minister-presidente was. De coup-plannen worden verklaard vanuit de wens van de VS om van Turkije een interventie-macht te maken in het Midden- Oosten. De VS wilde door de coup een botsing creëren tussen Turkije en Iran.
Om meer over de financiering van deze geheime organisatie te weten komen, moeten we terug naar het bezoek van onder andere Bucak aan Kusadasi. Kusadasi is namelijk een van de regio's in Turkije waar hoogst waarschijnlijk luxueuze casino's uit de grond mogen worden gestampt overeenkomstig een nieuwe wet van de regering. Deze nieuwe wet behelst een nieuw reglement waar casino's aan moeten voldoen en wijst bepaalde gebieden aan waar deze mogen staan. Bucak en de anderen waren zich in Kusadasi aan het oriënteren op de koop van grond om casino's op te bouwen.
De geheime organisatie van Çiller heeft zich namelijk op de gokwereld gericht om aan inkomsten te komen. Ze verdrong door middel van intimidatie en moord de traditionele gokhal-maffia en verkreeg zo de controle over het gokken. De inkomsten uit het gokken, naast die uit drugshandel, waren namelijk hard nodig omdat Tansu Çiller niet meer beschikte over het geheime fonds dat een minister-president heeft in Turkije. Ze had het fonds na de val van de regering Çiller-Yilmaz nog wel snel geplunderd, maar dat geld was uiteraard niet voldoende. In deze context is het vermeldenswaardig dat Tansu Çiller en haar man Özer op de onroerend goed-markt in Kusadasi speculeren. De praktijken van deze geheime, contra-guerrilla-achtige organisatie werden de afgelopen weken uitgebreid in de Turkse pers besproken. De afwijzing was alom. De al genoemde deskundige op politiek gebied Bilal Cetin en anderen waren van mening dat deze geheime krachten - als contra-guerilla bestempeld - uit controle zijn geraakt, dat ze hun `officiële' status misbruiken om herone te smokkelen, te handelen in wapens, af te persen en vendetta's te voeren.
Inmiddels is meer informatie naar boven gekomen over de criminele activiteiten van het echtpaar Çiller. In de krant Özgür Politika werd op 13 november bij dit artikel een foto gepubliceerd. De foto toont een bijeenkomst in Baden- Baden (BRD) van kopstukken van de Çiller-maffia, zij vond plaats op 26 mei 1995. Van links naar rechts zien we op de foto: de Turkse generaal Ibrahim Karabulut, ex-lid van de Generale Staf, Özer Çiller, Hüseyin Duman, internationaal drugshandelaar en topfiguur binnen de MHP en Aydin Dogan, de uitgever van de staatsgetrouwe kranten Milliyet en Hürriyet. Naast deze personen waren ook nog de roemruchte maffiabaas Alaattin Cakici en de voormalige Europa-vertegenwoordiger van de MHP, Enver Altayli aanwezig. Bij deze bijeenkomst werd gesproken over de handel in osmium, een bijzonder kostbaar radioactief element en besloot men partners te worden in de smokkel van radioactief materiaal. Bij de handel in osmium van deze groep personen is ook een voormalig KGB-agent betrokken, Metin Selvi. De in Duitsland woonachtige Selvi wordt momenteel gezocht door de Duitse inlichtingendienst BND; dit blijkt uit een fax van Interpol in Vilnius aan de BND in Wiesbaden.
Het radioactieve materiaal werd vanuit de Oekraïne en Rusland naar het buitenland gesmokkeld. In de voormalige Sowjet-Unie is Selvi degene die de contacten legt. In het aangrenzende Azerbeidzjan zorgen Altayli en de Grijze Wolven-maffia ervoor dat alles gesmeerd verloopt. In Turkije regelen Özer Çiller en Hüseyin Duman dat het materiaal zijn kopers bereikt. De verkoop van het radioactieve materiaal gaat onder ander via het Duitse bedrijf Locosa, dat filialen heeft in HongKong, de VS, Noorwegen, Moskou en de Oekraïne. Een van de belangrijkste afzetgebieden is Iran. De westerse landen zijn zeer huiverig voor deze smokkel, er is dan ook een samenwerkingsverband opgericht tussen de inlichtingendiensten van Oostenrijk, Duitsland, VS en Zweden. Uit (terecht) wantrouwen wordt de Turkse politie en de MIT buiten dit samenwerkingsverband gehouden.
De groep rondom het echtpaar Çiller houdt zich ook bezig met de smokkel van zirkonium. Bij deze smokkel is een van de belangrijkste Turkse maffiabazen betrokken: Abuzer Ugurlu. Uit de recente arrestatie in Turkije van Ugurlu blijkt duidelijk dat hij van hogerhand wordt beschermd. Kort nadat hij in Istanbul was opgepakt met 8 kilo cocaïne, werd hij namelijk alweer vrijgelaten door de Rechtbank voor Staatsveiligheid (DGM). Direct daarna vluchtte Ugurlu naar Sofia. Inmiddels is er weer een arrestatiebevel tegen hem uitgevaardigd.
Uit ondermeer deze recente voorvallen blijkt dat de leiding van de Turkse staat in toenemende mate betrokken raakt bij criminele activiteiten en nauw samenwerkt danwel samensmelt met de extreem-nationalistische stroming binnen de Turkse maffia (bijvoorbeeld Duman, Altayli en Catli). Aan de ene kant proberen politici in de regering deze samenwerking resoluut te ontkennen (Çiller en Agar), maar anderen hebben publiekelijk minder moeite met deze samenwerking. Sterker nog, men ziet het als een vaderlandslievende en moedige daad om drugs te smokkelen en de opbrengsten daarvan hoofdzakelijk aan te wenden voor de bestrijding van de PKK en andere linkse politieke organisaties.
Dat het auto-ongeval van 3 november zoveel feiten boven water heeft gehaald, heeft enkel te maken met de onderlinge machtsstrijd tussen verschillende groepen op de drugsmarkt. Een kwartier na het ongeval werd de media al telefonisch op de hoogte gebracht van het ongeval, waarbij de namen van alle inzittenden werden doorgegeven. Toen was het voor de regering te laat om het ongeluk in de doofpot te stoppen.
Het betreft hier zeker geen incident. Dit soort contra-guerrilla-eenheden werden in de jaren zeventig ook al ingezet tegen linkse organisaties en vakbonden. Vooral met de opkomst van de Kurdische bevrijdingsstrijd zijn deze eenheden samen met dorpswachterssyteem verder uitgebreid en zij hebben naar verloop van tijd aan macht gewonnen. Het gaat om tientallen van dergelijke organisaties, die onder de directe leiding van het Departement voor Speciale Oorlogsvoering staan, met maar één doel voor ogen, het vernietigen van de Kurdische strijd. Om deze oorlog voort te kunnen zetten zijn inkomsten uit misdadige activiteiten van essentieel belang. De onbeschaamdheid waarmee personen als Tansu Çiller en Sedat Bucak optreden, geven aan dat ze zich sterk genoeg voelen om door te gaan met hun praktijken.